Vernietigingsberoep rechtsplegingsvergoeding

Wat?

In arrest nr. 34/2016 van 3 maart 2016 stelde het Grondwettelijk Hof de OVB in het gelijk door vernietiging van de wetgeving die de overheid ontslaat van het betalen van een rechtsplegingsvergoeding wanneer zij in het ongelijk wordt gesteld.

Hoe?

De OVB had, naast een aantal andere verzoekende partijen waaronder het Genootschap Advocaten Publiekrecht (GAP), een vernietigingsberoep ingesteld tegen artikel 17 van de wet van 25 april 2014 ter verbetering van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Dat artikel 17 voegt een 3° toe aan het achtste lid van artikel 1022 Ger.W., waardoor geen enkele rechtsplegingsvergoeding (RPV) ten laste van de Staat verschuldigd is “wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon in het algemeen belang als partij optreedt in een geding”.

Waarom?

De OVB en het GAP voerden aan dat de beroepsbelangen van de advocatuur in het gedrang komen door dergelijke wetgeving. Ten gronde voerden de verzoekende partijen een schending aan van:

  • Het gelijkheidsbeginsel: er is een niet-verantwoord verschil in behandeling tussen de publiekrechtelijke rechtspersonen en de privépersonen, tussen de rechtzoekenden (naargelang zij in het gelijk worden gesteld ten aanzien van een privépersoon of een publiekrechtelijke rechtspersoon) en tussen de procespartijen voor de Raad van State en voor de burgerlijke rechtscolleges.
  • Recht op toegang tot de rechter en recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel: de algemene vrijstelling van publiekrechtelijke rechtspersonen van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding heeft een ontradend effect op de rechtzoekende die tegen zo’n rechtspersoon wil procederen. Daardoor wordt ook afbreuk gedaan aan het recht van verdediging, aan de wapengelijkheid, aan het recht op juridische bijstand, aan de waarborgen vervat in het Verdrag van Aarhus en het Unierecht, en aan de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.
  • Eigendomsrecht: de rechtzoekende die ten aanzien van een publiekrechtelijk rechtspersoon in het gelijk wordt gesteld, kan geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding. In onteigeningsgeschillen heeft dat tot gevolg dat er geen sprake is van een ‘billijke schadeloosstelling’ in de zin van art. 16 van de Grondwet of van een ‘billijk evenwicht’ in de zin van art. 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
  • Rechtszekerheidsbeginsel: de bestreden bepaling is bij gebrek aan overgangsmaatregelen onmiddellijk van toepassing op hangende rechtsgedingen. Het ruime begrip ‘optreden in het algemeen belang’ zou aanleiding kunnen geven tot rechtsonzekerheid.

En verder…?

De OVB houdt de vinger aan de pols bij de toekomstige wetswijzigingen inzake de rechtsplegingsvergoeding.