Bijzondere opleiding cassatieprocedure in strafzaken

Wat?

In 2016 zette de OVB, in samenwerking met Avocats.be, de bijzondere opleiding cassatieprocedure in strafzaken verder. De opleiding werd geperfectioneerd aan de hand van de evaluatieformulieren die de advocaten die deelnamen in 2015 massaal invulden.

De opleiding neemt 14 uur in beslag en wordt gespreid over 2 lessen en 1 werkcollege van 4 uur en 1 werkcollege van 2 uur. Tijdens de lessen leert de advocaat de aard van de controle door het Hof van Cassatie en hoe een cassatieprocedure in strafzaken verloopt, komen de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en de middelen tot cassatie (incl. de niet-ontvankelijke middelen) aan bod en behandelt men de ontvankelijkheid van de memorie en de praktijk van het opstellen van de cassatiemiddelen. In de werkcolleges leert de advocaat een memorie op te stellen en wordt die memorie in kleine groepen besproken en geëvalueerd.

Waarom?

Advocaten die regelmatig zijn ingeschreven op het tableau, op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of op de lijst van de stagiairs en die een penale procedure voor het Hof van Cassatie willen voeren, moeten het getuigschrift ‘bijzondere opleiding cassatieprocedure in strafzaken’ behalen, conform artikel 425 §1 Sv.

Advocaten die de vierjarige beroepsopleiding van het Hof van Cassatie gevolgd hebben, moeten die opleiding niet meer volgen om in strafzaken voor het Hof van Cassatie te kunnen pleiten.

Hoe?

Er werd een opleidingscommissie opgericht waarin de OVB, Avocats.be, de zetel van het Hof van Cassatie, het Parket bij het Hof van Cassatie en de balie bij het Hof van Cassatie vertegenwoordigd zijn. De opleidingscommissie legt de lessenreeks vast en de OVB staat in voor de praktische organisatie van de opleiding.

En verder…?

Intussen zijn 667 advocaten houder van het getuigschrift Bijzondere Opleiding Cassatieprocedure in Strafzaken.

Ook in 2017 zal deze opleiding worden georganiseerd.

 

Procedure Raad voor Vreemdelingenbetwistingen

Wat?

In haar arrest van 9 februari 2016 stelde de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de OVB in het gelijk in haar vernietigingsberoep tegen het KB van 26 januari 2014 tot wijziging van het KB van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Het KB van 26 januari 2014 werd aangenomen ter uitwerking van de elektronische procesvoering voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het verplichtte advocaten om processtukken elektronisch in te dienen, op straffe van het niet op de rol plaatsen (verzoekschrift) dan wel op straffe van niet-ontvankelijkheid (synthesememorie).

Waarom?

De OVB vindt de digitalisering van het procedurerecht belangrijk, maar hamert op respect voor de toegang tot de rechter en andere grondrechten, zoals recht op bescherming van privéleven. Het KB van 26 januari 2014 voldeed volgens haar niet aan die principes.

Hoe?

De OVB volgt de digitalisering van het procedurerecht nauwgezet op. Wanneer nieuwe procedureregels de rechten van rechtzoekenden en advocaten schenden, stelt ze een vernietigingsberoep in bij het Grondwettelijk Hof of de Raad van State. In dit geval voerde de OVB verschillende elementen van ongrondwettigheid aan, die de Raad van State bijna allemaal volgde.

Als eerste middel voerde de OVB aan dat het recht op toegang tot de rechter (zoals beschermd door art. 13 van de Grondwet en art. 6 EVRM) geschonden wordt door de verplichte elektronische indiening van stukken (verzoekschrift en synthesememorie). Ook het rechtszekerheidsbeginsel wordt geschonden: e-mail is geen veilig communicatiemiddel. De OVB eiste dezelfde garanties als bij een zending per post.

Het tweede middel  had onder meer betrekking op de bescherming van het privéleven (zoals gewaarborgd door art. 22 van de Grondwet en art. 8 EVRM). De vertrouwelijkheid van de informatie is ontzettend belangrijk, maar wordt niet gegarandeerd in de elektronische procedure.

En verder…?

De OVB blijft in nauw contact met de Raad voor Vreemdelingenbetwisting om de verdere vormgeving van de digitalisering van de procedure mee in goede banen te leiden. Dat zou bijvoorbeeld mogelijk zijn door een connectie te creëren tussen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en het DPA.

Reglement detachering

Wat?

Op 27 januari 2016 keurde de algemene vergadering het reglement goed tot invoering van afdeling III.1.9 i.v.m. werkzaamheden van advocaten in het kader van detachering in de Codex Deontologie voor Advocaten. Het trad in werking op 4 februari 2016.

Sindsdien kunnen tableau- of EU-advocaten vanuit de structuur van de cliënt beperkt diensten leveren voor die cliënt in hun hoedanigheid van advocaat. Ze zijn dan niet werkzaam als bedrijfsjurist.

Belangrijkste krachtlijnen:

  • De advocaat blijft gedurende de detachering onderworpen aan de deontologie van advocaat.
  • De advocaat ziet erop toe dat de detachering geen aanleiding geeft tot verwarring. Hij moet zich kenbaar maken als advocaat, mag geen documenten ondertekenen met het briefhoofd of logo van de opdrachtgever en mag ook het e-mailadres van de opdrachtgever niet gebruiken.
  • Alle contacten die de gedetacheerde advocaat heeft met andere advocaten, met de opdrachtgever en met de advocaat die/het samenwerkingsverband dat hem detacheert, hebben een verplicht vertrouwelijk karakter. Enkele uitzonderingen daarop liggen vast in de wet of in reglementen.
  • De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. Daaraan wordt de tekst van afdeling III.1.9 van de Codex toegevoegd. Een kopie van de overeenkomst moet vóór aanvang van de activiteit worden meegedeeld aan de stafhouder.
  • De detachering die niet beantwoordt aan art. III.1.9.1 (definities) en III.1.9.2 (onafhankelijkheid) van de Codex is onverenigbaar met het beroep van advocaat.
  • De advocaat sluit een overeenkomst tot detachering rechtstreeks met zijn cliënt en niet via een tussenpersoon. Overeenkomsten tussen een advocaat en een tussenpersoon, waaruit blijkt dat de advocaat een vergoeding moet betalen aan die tussenpersoon, stroken niet met art. III.2.2.1 van de Codex (verbod op honorarium voor introducties).

Waarom?

De praktijk leerde dat sommige advocaten, zowel rechtstreeks als via een tussenpersoon, werkzaam waren als gedetacheerde advocaat bij hun cliënt. Om de kernwaarden van de advocatuur te beschermen (onafhankelijkheid, beroepsgeheim), heeft de OVB een reglementair kader uitgewerkt.

Hoe?

Doorheen de jaren hebben de commissie deontologie en de werkgroep detachering gepoogd een ontwerptekst op te stellen om een reglement inzake detachering in te voegen in de Codex. Op 22 november 2014 nam de algemene vergadering die in overweging. Er werden amendementen ingediend die in de loop van 2015 werden besproken door de commissie deontologie. De commissie verstrekte advies aan de algemene vergadering die op 16 december 2015 artikelsgewijs en op 27 januari 2016 over het geheel stemde.

En verder?

Inmiddels werden twee verzoeken tot nietigverklaring van het OVB-reglement van 27 januari 2016 ingediend. Het Hof van Cassatie heeft beide afgewezen in zijn arresten van 3 februari 2017.